Bras

 

 

Fragment uit Bras

 •••

In de Superdump koop ik een nieuwe blikopener. Als ik in de schuur kom ligt Bras op de deken en slaapt. Ik ga naast hem zitten en leg mijn arm op zijn rug. Op de plek van mijn hand trilt zijn huid alsof er een slang onderdoor kruipt. Het is koud in de schuur, maar Bras is warm. Zijn ogen zijn gesloten. Hij heeft een zwart-witte kop met grijze haartjes bij zijn neus en oren. Als hij mijn hand voelt opent hij zijn ogen heel even. Hij is niet bang. Ik laat hem het blik zien. Hij snuffelt er even aan en likt aan het etiket dat bij een hoek omgekruld is. Zijn kop valt weer op de deken. Hij ruikt natuurlijk niks en uit zo’n mooi blik heeft hij natuurlijk nooit wat gekregen. De nieuwe opener glijdt nu als vanzelf door het deksel en met mijn zakmes schep ik een berg uit het blik op de vloer. Hij blaft weer die korte blaf alsof hij struikelt over zijn stem en is meteen klaar wakker. Als hij zijn eten naar binnen heeft geschrokt gaapt hij en zie ik zijn rode lange tong en zijn tanden die erg bruin en afgesleten zijn.

‘We gaan eerst je tanden poetsen. Dan zal ik je wassen en gaan we wandelen in de regen. Dan spoel je weer schoon.’ Ik pak de halsband die aan de wand van de schuur op de spijker hangt. ‘Kijk, voor jou. Dit was van een heel speciale hond. Die heette ook Bras. Kijk maar,  het staat op de riem. Hij was mijn beste vriend. Vorige maand is hij verdwenen. Ze vonden zijn dooie lijf in het park en toen hebben we hem begraven op het hondenkerkhof. Hij was de liefste hond op de wereld en zelfs Mary vond hem wel aardig. Hij heeft een graf met een grote stok erop. En in die stok heb ik zijn naam gekerfd met mijn mes. Maar omdat jij er nu bent moet ik er iets bijzetten. Zodat jij niet als een dooie hond heet.’

 •••