Terugblik 25 De laatsten der Onverstandigen

(Die Unvernünftigen sterben aus) van Peter Handke door Art&Pro in 1989. Regie Frans Strijards

Het stuk is (nog steeds) zo geestig en actueel dat het herlezen alleen al een genot is en een korte inhoud doet het stuk nauwelijks recht. maar ik probeer het toch:

Peter Handke schreef dit stuk in 1973. Alles draait om Hermann Quitt, een machtige topondernemer. Hij kan zich niet overgeven aan gevoelens van wat voor aard ook. Hij kan niet terugdenken aan zijn kindertijd, niet genieten van de natuur, hij kan niemand liefhebben, ook zijn vrouw niet. Quitt zit vast, hij kan alleen maar winnen. Hij heeft een aantal andere topondernemers ontboden bij hem thuis in zijn sjieke appartement met als doel door onderlinge afspraken de concurrentie uit te schakelen. Er loopt ook nog een kleine aandeelhouder rond, ene Kilb, die van elke grote N.V. in het land een aandeel bezit en daardoor een nagel aan de doodskist van alle topondernemers is. Kilb gedraagt zich vreemd en vrijpostig want hij heeft niets te verliezen. Die vrijheid intrigeert Quitt en daarom wordt hij aanvankelijk in het gezelschap gedoogt, maar hij gaat te ver en Quitt gooit hem er uit.

In het tweede deel van het stuk, als blijkt dat Quitt zich niet aan de afspraken heeft gehouden en alle winst voor zichzelf heeft opgestreken, komen de failliete topondernemers verhaal halen, maar niets werkt. Quitt is volledig gevoelloos, ze druipen af. Quitt is nu eenzaam aan de top, euforisch, manisch bijna. Dan verschijnt Kilb weer ten tonele om Quitt te vermoorden wat resulteert in het tegenovergestelde: Quitt doodt Kilb. Uiteindelijk wordt door Handke gesuggereerd dat Quitt ook zichzelf doodt door zich te storten op een harde rots met inscriptie.

Mijn vertrekpunt voor het decorontwerp was de rol van mevrouw Quitt. Ze heeft niet veel tekst, komt af en toe op en wil wat zeggen, maar wordt niet gehoord. Om die opkomsten en afgangen een tragischer reliëf te geven bedacht ik een wenteltrap voor haar zodat haar eenzaamheid, de kooi van het huwelijk waarin zij zit, meteen duidelijk is. (Dat ‘opgesloten zijn in een systeem’ geldt trouwens voor alle rollen in dit stuk.)

Rond die trap, die links achter op het toneel stond, ontvouwde zich de rest van het (door de schrijver min of meer voorgeschreven) decor: Witte vitrages die het appartement afscheidden van buiten, met daarachter een skyline van een grote stad, in de nok van de kamer/theater een neerlaatbare boxbal die gebruikt werd door Quitt om zich fit te houden en op de vloer een zitzak, zo’n typisch zeventiger jaren model, breed van onder en taps toelopend naar boven. Zowel zitzak als boxbal waren van skai en beschilderd alsof ze van marmer waren (gemarmerd), net als het verhoogde podium (waarin deels de basisconstructie was verborgen) op het achtertoneel en de skyline.

Een wenteltrap op reis in een kleine decorbus betekent veel voor de constructie. De trap moet gedemonteerd kunnen worden. De staande delen (staanders) waren van aluminium steigermateriaal. De treden werden op hun plaats gehouden door knelkoppelingen en daar waar de treden een wat grotere uitslag hadden (d.i.langer waren) werden ze ondersteund met een schuine drager tegen de staanders aan. De staanders stonden vast in de constructie in het podium en helemaal bovenin waren de staanders verbonden aan elkaar met een stijf rek, zodat ze niet als een mikadospel uit elkaar zouden vallen. De trap was ca 7,50 meter hoog en in hoogte verstelbaar voor de verschillende theaterzaalmaten.

De trapconstructie werd geassembleerd door een smid. De invulling van de treden, het podium en de skyline werden door de technici  uit hout gezaagd en getimmerd. De schildering van het marmer werd vervaardigd door een bevriende tekenaar nadat hij op les was geweest bij Benno de Vries, die deze oude schildertechniek ‘marmeren’ nog meester was: half transparante lagen verf  worden over elkaar gelegd voor de basis en met steeds dunnere kwasten wordt dan de marmerstructuur erin getrokken om te eindigen bij een vogelveer voor de dunste lijntjes met haarscheur-uitwaaiertjes.

De zitzak produceerde ik zelf. De dame die ook de kostuums naaide (Marietje Snitjer) zette de zitzak(ken) -want er moest reserve zijn- in elkaar en zo begon het experimenteren. De regisseur wilde de zitzak uitermate inventief inzetten. Dat betekende dat er op gevallen, gestort, ermee gegooid en gesmeten werd. De vulling bestond uit kleine polystyreen bolletjes. Aanvankelijk dachten we eerst een binnenzak te maken en daaroverheen de als marmer beschilderde kunststof te trekken. Die dubbele zak werkte niet. De zitzak weigerde zich naar wat dan ook te voegen. Dus moesten de naden van de zitzak zelf heel sterk en het materiaal skai, met een zware linnen rug verstevigd zijn. Dat werkte wel, hoewel het toch nog een keer ernstig is misgegaan. De hele brakke grond zat onder de balletjes en dat betekende urenlang stofzuigen en dagenlang nog balletjes vinden, omdat ze ‘plakken’. Al dat geëxperimenteer leverde wel reserve zitzakken op en dat was mooi, want de in het stuk gebruikte zitzak stond ook wel eens op ‘bijna’ springen en kon dan snel worden vervangen.

De kostuums waren stereotypisch: Theo Pont als ‘Koerber Kent een priester-ondernemer, Marieke van Leeuwen als ‘Lutz’ in een van ‘Chanel’ afgeleid mantelpak, Han Kerckhoffs als ‘von Wullnow’ in klassiek drie-delig grijs, Quitt zelf (Wim vd Grijn) in een duur ogend modern licht gekleurd pak en Margreet Kooistra als mevrouw Quitt (de regisseur stelde voor haar steeds ouder en dikker te maken, nu ze duidelijk zo’n eigen terrein had door de trap) in dure confectie. Dan was er nog de knecht van Quitt gespeeld door René Eljon, zwarte broek, keurig hemd, strik en mouwloos vest en Paula Tax, tikkeltje sociaalvoelend onderneemster van oude familie en de minnares van Quitt, gespeeld door Maartje Nevejan in bizarre couture kleding. Hans Trentelman als kleine aandeelhouder zag er uit als een verfomfaaide inbreker, een ‘vieze’ man met leren handschoenen en een gedeukt zakenkoffertje. Dat koffertje werd trouwens zijn dood. Quitt stopt aan het eind van het stuk Kilbs hoofd eronder en gaat er op zitten tot hij stikt. Zelf komt Quitt aan zijn einde door zich te storten op zijn eigen grafsteen.

Met betrekking tot die grafsteen nog dit. In het tweede bedrijf beschrijft Handke als volgt het decor:

Het silhouet vd stad. Op de plaats van de boxbal hangt nu een reusachtige luchtballon die langzaam leegloopt. Op de plaats vd zitgroep een groot, belicht, langzaam smeltend blok ijs. Ergens anders een glazen bak met rijzend deeg,ook belicht, een piano en een donker vierhoekig rotsblok op de achtergrond waarop de geschreven regels langzaam doch gestadig verbleken: ‘Onze grootste zonde- het ongeduld der begrippen’ en ‘Het ergste leed is geleden-de laatste hoop.’Daarnaast kindertekeningen. Veel symboliek.

Strijards had toch behoefte aan concretere zaken, dus het smeltende ijs en het rijzende deeg lieten we weg. De leeglopende ballon werd een in het silhouet vd stad hangende zeppelin met de Q van Quitt.  Alleen de rots met inscriptie was onmisbaar, omdat Quitt zich daar aan het eind op stort (cq zelfmoord pleegt). Strijards worstelde echter met de betekenis van die rots met die tekst. We wandelden en praatten wat in het nabijgelegen Oosterpark.

Het stuk zit vol toespelingen op het katholicisme. Paula Tax, de licht socialistische onderneemster, vraagt hem bijvoorbeeld of hij katholiek is, omdat hij ‘praat over zichzelf alsof hij staat voor het algemeen’ en ‘Het water en bloed dat u privé zweet, brengt u als offer voor ons verstokten’ (niet gelovigen).

De tekst op die rots van Handke bracht mij op schandpaal en boete (zie schetsje), deed mij (katholiek opgevoed) denken aan de oefeningen van geloof, hoop, en berouw, die je als kind moest bidden, zonder te begrijpen wat het inhield, want kent een kind de zonde? In ieder geval kon je je zonden ermee afwassen. En ik herinnerde me grafstenen waar ook dergelijke teksten van berouw op konden staan.

Dus we besloten die rots, met Handkes tekst er in ‘gebeiteld’, in de vorm van een grafsteen te maken. Die grafsteen stond, overdekt met een laken, tijdens het tweede gedeelte van het stuk zichtbaar terzijde opgesteld. Hij was nogal groot en natuurlijk met een hart van piepschuim. Quitt kon er een opera-dood op sterven.

In een Vlaamse stad is de steen wel eens verstopt door de technici van het theater ter plekke, zodat iedereen van Art&Pro er in paniek naar moest zoeken. Degene die hem verstopt had vond het een lelijk ding en ik denk ook dat het een tijd was, waarin men  op het toneel bij voorkeur voor ‘echt’ ging.  Ja mooi was ie niet, maar vorm zonder inhoud betekent niks. Groot was hij ook, maar laat een acteur zich maar eens overtuigend zelfmoorden op een kleine grafsteen die als zodanig ook op de laatste rij herkenbaar is. Maar een requisiet van anderen verstoppen, omdat hij je niet bevalt? Die zonde was je er nooit meer af. Dat vind ik nog steeds, en ja in Noord-Holland zijn ook de katholieken nou eenmaal op het randje van gereformeerd. Heel streng. Net als Handke zelf eigenlijk.