Terugblikken 20, Kwartet van Heiner Müller, 1987

‘Kwartet’, van Heiner Müller, 1987,Toneelgroep Amsterdam. Regie Sam Bogaerts.

 Regisseur Sam heeft ‘De Kersentuin’ van Art&Pro gezien. Hij vindt de kostuums erg verrassend en vraagt mij daarom de kostuums te ontwerpen voor een productie die hij in 1988 bij Toneelgroep Amsterdam gaat maken. Als vingeroefening in het samenwerken vraagt hij me het decor en kostuums te ontwerpen voor het stuk ‘Kwartet’ van Heiner Müller, dat bij hetzelfde gezelschap in 1987 zal uitkomen in de Bovenzaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

‘Kwartet’ van de Oostduitse schrijver Heiner Müller(1929) is een duister stuk voor slechts twee personen die hun doodsangst met woorden uitvechten. Het is een bewerking van het boek Les Liaisons dangereuses (1782) van Choderlos de Laclos. Eigenlijk is het een verzameling brieven. Die (overigens prachtig geschreven) brieven onthullen de intriges van markiezin de Merteuil en haar ex-minnaar, burggraaf De Valmont, ten koste van velen maar hier in het bijzonder van Madame de Tourvel, een deugdzame getrouwde vrouw en van Cecile Volanges, een nog onbedorven nichtje van de gravin. De markiezin wil dat de graaf madame de Tourvel verleidt want zoveel deugdzaamheid moet afgestraft worden en als beloning geeft de markiezin hem de ‘ontmaagding’ van haar jonge nichtje.

Het verhaal loopt slecht af. Madame Tourvel sterft van schaamte. Het nichtje eindigt in een klooster en de gravin verliest geld en status en wordt zelfs mismaakt door de zwarte pokken. De graaf sterft in een duel.

 Heiner Müller (zijn schrijverscarrière begon met toneelstukken die in het teken stonden van de opbouw van een naoorlogs socialistisch Duitsland) laat het verhaal zich drie eeuwen later afspelen. Hij vervangt de locatie van het oorspronkelijke verhaal, een salon van vóór de Franse revolutie, door een bunker na de ‘derde’ wereldoorlog.

Müllers kijk op de wereld is gitzwart. Er zijn slechts twee personages: De graaf en de markiezin. Ze zijn beide oud en afgetakeld, impotent en verveeld. Ze spelen hun intriges uit het verleden na. De graaf speelt zowel zichzelf als Madame de Tourvel (hij speelt hoe zij zich door hem laat verleiden) en de markiezin speelt zichzelf en haar nichtje. Zij spelen vooral een spel met woorden. Zij kunnen hun emoties niet anders beleven dan op die manier. Zo zijn ze in staat de meest gruwelijke zaken en hun perverse sexualiteit vorm te geven.

Na de eerste lezing van de tekst ben ik nogal geraakt door de slechtheid van deze toch welopgevoed lijkende personages en kijk ik bij mezelf naar binnen. Hoe kan ik in de vormgeving helpen om die emotie en de reactie daarop bij een publiek op te wekken?

 Bogaerts, die het stuk zelf vertaalde, had het al drie keer eerder geregisseerd. Daardoor duurt het dan ook erg lang voor ik, als zijn ontwerper, een idee kan presenteren dat hij nog niet kent.

 De bovenzaal van de Stadsschouwburg zit letterlijk boven op zolder, is laag en heeft een schuin dakgedeelte. De sfeer is er intiem te noemen, maar ademt ook vooral verval uit. Ik teken spiegels, ruimteafbakeningen, lichtinvallen en maak een maquette van een goudglanzend smerig nest (zie afbeeldingen). Uiteindelijk komen we tot een toneelbeeld dat uit die tekeningen ontstaat en iets is wat de regisseur nog niet heeft toegepast. Nu staat het decor niet alleen op de scene (speelgedeelte), maar strekt het zich ook uit tot over het publiek. Dat publiek komt te zitten in tweezits bankjes uit verschillende stijlperiodes die geschaard staan rond een hoek van de ruimte, waarin een sfeer van afbraak heerst. De bankjes komen te staan op een ‘gebruikt’ ondertapijt uit het schildersatelier van het gezelschap. Dat dempt niet alleen het lopen, maar is door de kleur (een onbestemd grijs van geperste textiel) en vooral door alle restverf van eindeloos er op geschilderde doeken erg mooi en verweerd.

Op de scene staan diverse grote antieke  spiegels die gelouterd door het leven lijken te zijn, een niet meer gebruikt verwarmingselement om op te zitten en wat meubels van verschillende aard en tijd. Dat alles wordt mooi belicht door de inspiciënten Marc Bender en Bert Middelweerd.

Ook de kostuumontwerpen laten een  zoektocht zien.  Ik teken o.a. de graaf als Madame de Tourvel verkleed, en de markiezin als het nichtje in dezelfde jurk. Er wordt veel uitgeprobeerd maar de acteurs staan het hele stuk op het toneel, dus afgaan voor een verkleding is er niet bij. Tenslotte komen we toch uit bij één hedendaags kostuum : Een stijlvol glanzend pak en mantel voor de graaf (Peter Oosthoek) en een Chanel pakje, gecomplementeerd met kaplaarzen, voor de gravin (Ingeborg Elzevier). In die kleding spelen ze alle rollen, waarbij wat accessoires de verwisselingen helpen geloofwaardig te zijn. Want in deze voorstelling zijn het uiteindelijk de in briljante dialogen geschreven (en uitgesproken) teksten die de meeste aandacht verdienen.

 Er is ook nog een publiciteitsfoto. Zo’n foto wordt ver van tevoren gemaakt en de kostuums daarvoor komen dan ook bijna altijd uit de voorraad van een gezelschap. De jurk die Ingeborg Elzevier op deze foto draagt is een jurk uit ‘De Kersentuin’ uit de voorraad van Art&Pro waar ik dan al enige jaren de ontwerper ben (zie Terugblikken 17). Het is de jurk van Ljoebow die ze draagt op het feest in het derde bedrijf. Ze eet er huilend haar haring in op die haar broer meeneemt als hij terugkomt uit de stad. Hij brengt dan nl. niet alleen die haringen, maar ook het droevige nieuws dat de kersentuin verkocht is.

Ljoebow zal deze jurk ongetwijfeld in Parijs hebben laten maken (in salon Constance), de stad waarin ook de graaf en gravin van Choderlos de Laclos hun mooi geklede, maar smerige spel spelen waarbij andermans deugdzaamheid en maagdelijkheid worden ingezet als machtsmiddelen tot eigen genot.

Acteurs en regisseurs hebben het vaak over het hebben van ‘een geheim’. Als je als acteur ‘een geheim’ hebt worden de personages die je speelt sterker, geheimzinniger. Ze werkt dat ook bij deze acteurs, allebei toen al oude rotten in het vak. Ik denk dat ook graag bij het effect van een kostuum op een publiek. Dat zo’n kostuum net iets raadselachtigs heeft, een verborgen geschiedenis. En nu heb ik zo’n geheim hier zomaar verklapt.

De foto’s zijn gemaakt door Kees de Graaff.