Terugblikken 27 Hedda Gabler

Art&Pro, waar dit stuk in 1990 wordt uitgebracht, heeft net zijn eigen huis gekregen: Het voormalige Mickerytheater. Het is ooit gebouwd als bioscoop met de naam: Rozentheater. Die naam zal weer terugkomen op de gevel. Maar vooralsnog  is het alleen nog maar een repetitieruimte. De verbouwing die nodig is om er weer een goed geoutilleerd theater van te maken, inclusief een kantoor, is nog niet begonnen.

 Er wordt een proefopstelling van het decor gemaakt in de ‘uitgewoonde’ grote zaal volgens de door de regisseur Frans Strijards en mij voor deze voorstelling gekozen publieksopstelling: Er wordt gespeeld in een langwerpige kamer die gelijkvloers ligt. Aan weerszijden van deze kamer staan aan de lange zijden de tribunes voor het publiek opgesteld in rijen van drie. Boven spelers en publiek zal een licht doorlatend dak komen te hangen, zodat het publiek opgenomen is in de leefruimte van Hedda en haar man Tesman. De tribunes zijn opgebouwd uit ‘Mickerymodules’, zoals de prakken genoemd worden, omdat ze in dit voormalige Mickerytheater werden ontwikkeld.*

Het decor zal toneel op toneel gaan reizen.

 Schrijver Ibsen plaatst de handeling van het stuk in de woonkamer van Hedda en haar kersverse echtgenoot. Het is het voormalige huis van een rijke weduwe, te duur. Tesmans tante heeft gezorgd dat er geld beschikbaar kwam en zij komt als eerste om te kijken of alles een beetje goed verloopt in het jonge huwelijk. Ibsen beschrijft het decor als sjiek, duur ingericht, maar wij maken er  aan het begin een kale kamer van, waar het wachten op de dure meubels is. De wanden op de korte zijden geef ik een in hout bewerkte lambrizering. Daarboven wanden in bloemetjesbehang. Hoog in de wanden komen ovalen raampjes met daglicht en aan één van de wanden komen daaronder drie sierbordjes te hangen (een element dat ontwikkeld is in de repetitie, daarover zo meer). Voor de hoofdentree ontwerp ik een vervaarlijk laaghangend ornament aan het plafond, dat in vorm en kleur bij de lambrizering past. Behalve een tafeltje, een oud kastje, twee stoelen en een krakkemikkige hanglamp is er niets. De pistolen die Hedda van haar vader heeft geërfd, de oude generaal, bevinden zich in een laatje van het oude kastje. Pianospelen (Ibsen laat haar dat doen) doet Hedda achter een gordijn op een kinderpiano. In de loop van het stuk komen de meubels binnen: een grote tafel, stoelen en een bank. Het is Hedda’s zelfgekozen gevangenis, waarvan ze mismoedig probeert een gouden kooi te maken.

Ook mensen komen binnen, maar dan vooral onverwacht of ongewenst. Han Kerckhoffs als tante van Tesman, Paul Hoes, als haar man Tesman, Elsje Smits als zijn vroegere vriendin, Wim vd Grijn als schrijver Lövborg, Jes Vriens als de dienstbode Berthe en Theo Pont als notaris Brack, familienotaris dus ook de regelaar van het familiegeld. Brack is een intrigant en voelt zich wat al te thuis in het huis van het jonge stel. Hij komt het liefst binnen via de tuin, het achterom.

Als Brack de eerste keer op bezoek komt is Hedda net aan het spelen met één van de pistolen van haar vader . Ze richt het pistool op Brack en schiet volgens Ibsen niet echt, maar om toch een schokeffect en inzicht in Hedda’s karakter te krijgen bedacht de regisseur de stenen bordjes aan de wand, want als je in het theater gebruik maakt van wapens moeten ze aan allerlei veiligheidseisen voldoen, zoals bijv. afgeronde punten aan een mes of dolk, losse flodders als kogels zodat alleen het geluid echt is. Ook al maak je geen gebruik van echte kogels, toch heb je een wapenvergunning nodig. En er zijn maar een paar bedrijven die die wapens verhuren met de daarbij behorende vergunning. Tijdens één van de repetities kwam de verhuurder het wapen brengen en om aan de goede man te laten zien wat de bedoeling was vroeg de regisseur aan Hedda of ze de bedoelde scene even wilde spelen. Dat deed Marieke van Leeuwen, die Hedda speelde. Ze richtte het wapen ogenschijnlijk op Brack, maar dan net boven hem op één van de bordjes. Met een knal sprong hetv in scherven van de wand. De wapenverhuurder dacht dat hij gek werd van schrik. Hij had er toch een losse flodder ingedaan? Tot hij de gezichten van regisseur en technicus zag en hij doorhad dat hij er was ingetrapt. Hij had het kunnen weten, maar had het nog niet verwacht: De techniek om een bordje aan stukken te laten springen was al uitgedokterd en aangebracht. Het bordje hing voor een in de wand gemaakt gaatje en daarachter liet de technicus (staand op een trap) een veer met een spijker eraan bevestigd tegen de achterkant van het bordje knallen.

Succes verzekerd, op dat moment en iedere avond weer.

 Het tafelontwerp werd uitgevoerd door Wilfred Kelting. De onderkasten van gebogen hout /poten waren via een ingenieus systeem afschroefbaar. De tafel zelf was gespoten met een lak op polyurethaanbasis, zodat de verf een extra hardheid had en niet teveel zou beschadigen op reis en tijdens de voorstelling.

De hele verleidingsscene van Lövborg en Hedda was nogal gewelddadig en ruw en vond plaats op die enorme tafel, die elke avond nieuw, net besteld moest ogen.

Hij was groot, mooi van vorm en sterk, maar helemaal loeistrak is die laklaag nooit geworden, want de aflevering van de tafel was wat aan de late kant en hij stond nog niet binnen of er moest mee gerepeteerd worden, terwijl de verf nog niet was uitgehard.

Ik zie nog het onthutste gezicht van de maker voor me. Zelf was ik er uiteraard ook niet blij mee, ook al werd het allemaal wel weer zo’n beetje gefixt. Je kunt je als ontwerper wel eens zorgen maken om niets. Iets dat hier zeker onnodig was, want de tafel werd een succesobject in de voorstelling en niemand zag de bobbels. Iedere keer vond ik het weer leuk als hij opgebracht werd, dat enorme ding. Later is hij nog vele jaren gebruikt door de elkaar opvolgende in-gebruik-nemers van het theater aan de Rozengracht. Het (jeugd)theater aan de Amstel bijvoorbeeld zette de de tafel in de foyer en verfde hem knalroze. Hij zal nu wel verdwenen zijn.

 Tijdens de laatste voorstelling in Groningen zit ik samen met het publiek in Hedda’s kamer in het op het toneel gebouwde decor. Dat is altijd weer een hele klus die opbouw, denk ik nog, en opeens hoor ik tijdens de voorstelling een vreemd geluid. Het blijkt het gesnurk te zijn van een doodvermoeide technicus die zich te slapen heeft gelegd in een doekenbak. Normaal zou het publiek zoiets niet horen, maar hier op deze plek….

 Na afloop hoor ik een mevrouw zeggen dat ze het ‘een mooie voorstelling vond, maar wel jammer dat er geen decor was.’ Ik meen me te herinneren dat toen mijn lippen wat bobbelig onthutsten, en vervolgens strak trokken (in een smile) van oor tot oor.

 Ik ontwierp ook de kostuums, die, net als het decor licht beïnvloed waren door de sfeer van de dertiger jaren. Zie wat schetsen en tekeningen

 

* Met scharnieren verbonden opklapbare zijkanten van 30, 60 en 90 cm hoogte van hout met ronde gaten erin, zodat ze makkelijker (!) te hanteren waren, met daarin vallende multiplexplaten van 90x120cm. De mickeryprak is in menig vlakke vloer theater eindeloos gebruikt als tribune-, overigens ook als podiummodule. Tot ze uit elkaar vielen van ellende, overigens niet tot het verdriet van de technici.